Vervolg Bladeren Voorafgaande Publicaties:
Vrolijke wetenschap Contact Overzichtsbladzijde
Niels Helsloot Niels Helsloot

 


Niels Helsloot, Vrolijke wetenschap, Nietzsche als vriend, Baarn, Agora 1999, pp. 93-97.
Hoofdstuk 2, Wetenschap in een verscheurde wereld, paragraaf 2.2.
© 1999, 2003

 

Oorlog

Met zijn opname van de muziek in de filologie draagt Nietzsche niet alleen bij aan dit vakgebied, maar bezint hij zich ook op de 'lyriek' die zijn eigen persoonlijkheid voortdrijft in het 'heldendicht' dat met zijn leven plaatsvindt. Dit wordt scherp duidelijk wanneer Nietzsche zich kort na zijn aanstelling op een minder afstandelijke manier in ridderlijke passies laat meeslepen door 'het volk'. In dit geval gaat het om het Pruisische volk. Omdat filosofen er gauw toe neigen hier niet meer dan een 'tussenspel' te zien [1], wil ik benadrukken dat er sprake is van een voortzetting van de gedachte dat zijn muzikale (en dus fundamenteel volkse) stemmingen niet alleen op afstand gehouden en aanschouwd moeten worden (Ritschl resp. Schopenhauer), maar ook in handelen moeten worden omgezet (Bismarck).

In de loop van 1870 breekt de oorlog met Frankrijk uit. Nietzsche ziet het beetje cultuur dat over is, en alle eigen doelen, bedreigd door een vanuit Frankrijk oprukkende woestenij. Bij zijn aanstelling als hoogleraar had hij na ampele overweging de Zwitserse nationaliteit aangenomen, en het Pruisische staatsburgerschap opgegeven. Hij vond dat hij het niet aan de universiteit van Basel kon verkopen om zijn werkzaamheden 'van oorlog en vrede afhankelijk te maken' [2]. In oorlogstijd had hij immers onherroepelijk als bereden artillerist moeten opkomen. Ondanks zijn toezegging aan de universiteit blijkt hij nu er werkelijk oorlog uitbreekt nog niet van [p. 94:] Bismarck los. Hij voelt zich met grote vanzelfsprekendheid zo betrokken bij de bedreigde Pruisische cultuur, dat hij vrij neemt om aan de oorlog deel te nemen. De Wagners zien zo'n verspilling van geestelijke kracht niet zitten, en Rohde neemt om diezelfde reden evenmin deel, maar Nietzsche trotseert de vervreemding die zijn afwijkende keuze met zich meebrengt. Door zijn Zwitserse nationaliteit kan hij tot zijn spijt alleen als hospitaalsoldaat dienen (Zwitserland blijft neutraal, al ligt de politieke voorkeur vooral bij Frankrijk). Na een E.H.B.O.-cursus van een paar dagen trekt hij enkele weken het front achterna om zich op allerlei manieren nuttig te maken, maar vooral om – tussen veel stervenden – de zwaargewonden te verdoven en te verzorgen. Na als enige verpleger dagenlang een gewondentransport begeleid te hebben, blijkt ook hijzelf met dysenterie en difterie besmet en moet hij van verdere bijdragen afzien [1].
   Vlak voor de oorlog beschreef Nietzsche 'de toon' in schopenhaueriaanse termen als een wil die de schijn doorbreekt, en die er als gepijnigde lokroep toe verleidt te bestaan [2]. Zoals ook de toon achter zijn stoel al aangaf, maakt de oorlog duidelijk hoezeer het een persoonlijke strijd is om met zulke tonen te leven als pijn de overhand krijgt over de verlokking. Terug in Naumburg geeft Nietzsche te kennen: 'met de beelden van die weken en een zich onophoudelijk aan me opdringende klaagtoon heb ik nog steeds te worstelen' [3]. Dit 'klagende geluid dat niet wilde ophouden' noemt hij ook korte tijd later nog als hij tegen de verschrikkelijke beelden waarmee zijn reis hem geconfronteerd heeft, weer bescherming zoekt bij de wetenschap [4]. Het lijkt opnieuw te lukken om de filologie als tegengif in te zetten, al luidt de oorlogservaring ook een periode in waarin Nietzsche meer aan hoofdpijn, slapeloze nachten en overspannenheid lijdt dan tevoren. Het verklinken van huiveringwekkend ongearticuleerde en onmenselijke tonen rond het slagveld maakt de vluchtigheid van de persoonlijkheid die Nietzsche als filoloog via muziek aan de orde stelde, op een lichamelijke manier concreet.
   Enkele maanden na de veldtocht, in januari 1871, wordt koning Wilhelm I van Pruisen in de spiegelzaal te Versailles tot keizer van het 'verenigde' Duitse rijk gekroond. Dit rijk is een voldongen feit vóórdat interne verdeeldheid of de Europese politiek roet in het eten kan gooien. Met dit succes op zak slaagt Bismarck er vervolgens in de traditionele machtsverhoudingen te herstellen. Hij sluit compromissen met de adel [p. 95:] aan de ene kant en de burgerij aan de andere. Vooral de laatstgenoemde stand wordt door de opkomende industrie in de volgende jaren steeds welvarender en invloedrijker. Het labiele politieke evenwicht verstrikt Bismarck in een moeizame strijd tegen katholiek conservatisme; deze zogenaamde Kulturkampf leidt tot hardnekkige maatschappelijke tegenstand. Aan de andere kant doet hij ook alles om democratische aanspraken van liberale zijde, en in toenemende mate ook van socialistische zijde, te ontkrachten. Van democratisering wordt anarchie en despotisme gevreesd, parallel aan de ervaring met de Franse revolutie. Om zulke ontwikkelingen tegen te gaan wakkert hij nationalistische en anti-semitische gevoelens aan.
   Het Duitse rijk ontwikkelt zich zo tot een militaire dictatuur met monarchistische en parlementaire zoethoudertjes. Net als de draak van de filologische toe-eigening overstraalt ook deze draak de wil van de enkeling met een massaal 'gij zult!'. Nietzsche zal deze ontwikkeling tien jaar later 'filologisch' maar vooral treffend weergeven met de vaststelling dat de Duitse spreektaal, die vorm aannam onder invloed van de taal van het hof en de kanselarijen, tot in haar klank toe gemilitariseerd raakt. De onbewuste onbescheidenheid en smakeloosheid van bevelend pratende legerofficiers geven de toon aan; 'zelfs kleine meisjes doen dit Officiers-Duits al na' [1]. De klaagtoon die bij Nietzsche bleef hangen, wordt geleidelijk aan overstemd door een luidkeels 'Deutschland, Deutschland über Alles' [2].
   Hoewel Nietzsche als Zwitser geen ingezetene meer is van het autoritair en militair bestuurde rijk, of misschien wel juist door zijn betrokkenheid als gedeeltelijke buitenstaander, neemt hij uitdrukkelijker dan zijn omgeving stelling tégen Duitsland [3]. Uiteindelijk zal het feit dat hij zijn Pruisische burgerrecht opgegeven heeft, het symbolische begin markeren van een totale breuk met het rijk [4]. Maar al verbazend snel na zijn terugkeer groeit zijn twijfel over de inzet van de oorlog. De uitwerking van de 'vrede' komt eerder neer op vernietiging van de Franse cultuur dan op verdediging van de Pruisische. De ontaarding van de oorlog tot een veroveringsoorlog die er alleen nog maar toe dient de tegenstander te vernederen, maakt de macht van Pruisen in Nietzsches ogen ondermijnend voor alle cultuur – dat wil zeggen: voor het gebied waarop hijzelf zich met al zijn vermogens inzet. De bijdrage van 'volksmuziek' aan de on- [p. 96:] dergaande aristocratische waarden leidt dus tot een afknapper.
   Het (onjuiste) gerucht dat aanhangers van de Parijse Commune het Louvre in brand hebben gestoken, wekt echter ook hevige twijfel aan de culturele gezindheid van de Fransen. Het geeft Nietzsche het gevoel dat er tegenover Frankrijk toch nog een 'Duitse missie' bestaat. Ook verder leidt de invloed van zijn Pruisische achtergrond nog lang tot tweeslachtigheid. Zijn hoop blijft op de 'Pruisische ernst' gericht, met de nadruk op 'Pruisische', dat wil zeggen tegenover de oprukkende 'Duitse Kultur' die hem meer en meer zorgen baart [1]. Maar onvermijdelijk is de weerzin tegen het Duitse rijk ook tegen de Pruisische grondleggers gericht, zoals blijkt uit Nietzsches reactie op één van de kerstgeschenken van zijn moeder en zus:

De Koninklijke borstbeelden sieren de kamer, terwijl deze in bloed gedrenkte heerlijkheden me op den duur ook verschrikkelijk voorkomen. Nu, in gips kun je deze heren verdragen, in werkelijkheid minder. [2]
In de loop van de jaren zal zijn weerzin de overhand krijgen.
   Terwijl er een algemene overwinningsroes heerst, wijst Nietzsche dringend op de tol die de oorlog van mensen en van de cultuur heeft geëist [3]. Bijna twintig jaar na de oorlogservaring zal hij zelfs serieus overwegen om de eerste exemplaren van zijn boek Ecce homo met een schriftelijke oorlogsverklaring aan Bismarck en de dan net keizer geworden Wilhelm II te sturen [4]. Tegen die tijd gaat het hem om een geestelijke oorlog, waarin de hele politiek herleid wordt op tegenstellingen tussen individuen in plaats van tussen rassen, naties of standen. Hij verwacht oorlogen die alle eerdere overtreffen, en acht zichzelf daartoe in staat. De enorme spanning waaronder hij dan leeft, drukt hij uit door zichzelf niet meer als mens te zien, maar als dynamiet. Als een van zijn laatste bewuste inspanningen is hij bereid de wereldregering over te nemen.
Ik houd het oprecht voor mogelijk de hele absurde toestand van Europa door een soort wereldhistorisch gelach op orde te brengen zonder dat daarvoor ook maar een druppel bloed hoeft te vloeien [5], [p. 97:]
schrijft hij dan. Maar hiermee stelt hij een 'afkondiging' bij waarin hij voorstelt het woord 'executeren' te verzachten tot 'aard- en nagelvast spijkeren'. Op dat moment kan hij niet meer voorkomen dat er gewelddadiger ideeën opkomen: 'ik zal de jonge keizer laten fusilleren', 'ik heb zojuist mijn rijk in bezit genomen, gooi de paus in de gevangenis en laat Wilhelm, Bismarck en [de hofpredikant] Stöcker neerschieten', 'ik laat net alle anti-semieten neerschieten', 'Wilhelm, Bismarck en alle anti-semieten weggewerkt' [1].
   De brieven waarin Nietzsche dit schrijft hebben weinig met fundamentele grootheidswaan te maken, wat hem nogal eens is toegeschreven. Ze vloeien voort uit een enorme weerzin tegen de militarisering van de Duitse samenleving, en het toenemende gebrek aan ruimte voor de culturele belangen die hij zelf probeert te verwezenlijken. Dat deze weerzin uiteindelijk op zo'n explosieve manier naar buiten komt, valt moeilijk te begrijpen zonder aan te nemen dat de schade die in naam van de keizer, Bismarck en het anti-semitisme wordt aangericht, Nietzsche persoonlijk buitengewoon raakt. De manier waarop hij tijdens de Duits-Franse oorlog, bijna twintig jaar voor zijn eigen oorlogsverklaring, met het neerschieten van mensen en de gevolgen daarvan in aanraking is gekomen, heeft er waarschijnlijk sterk toe bijgedragen om de gevoeligheid die hij op dit punt had te vergroten. Enkele jaren na de oorlog schrijft hij:
Inderdaad zijn mijn draaglijkste gevoelens nu militaire gevoelens; en terwijl ik al het meest van veldslagen en belegerde steden droom, is mijn wakkere denken pas echt op aanval en strijd uit. Ook dat is een middel om tot rust te komen, terwijl de vuile vrede om ons heen iemand alleen maar onrust brengt. [2]
De uitweiding die ik hier naar de – voor Nietzsche nog niet te voorziene – toekomst heb gemaakt, geeft een indruk van de dromen en de onrust die in de tijd na de oorlog hun onvermijdelijke invloed op Nietzsches werk als filoloog hebben. Deze dragen in aanzienlijke mate bij aan zijn 'persoonlijkheid'. Zijn eerdere pessimisme over het denken breidt zich uit tot het hele leven.

 
Begin van de bladzij

Werk van Nietzsche
Literatuur
p. 93   1.   Bijv. Montinari 1991: 51.
 2.Aan Vischer, maart 1869; KSB 2: 381.
p. 941.Vgl. N/1870 4[1-5]; KSA 7: 87-90.
 2.N/1869-70 3[21], [37]; KSA 7: 66, 70-71.
 3.Aan Ritschl, september 1870; KSB 3: 144.
 4.Aan Vischer, aan Gersdorff, oktober 1870; KSA 3: 146, 149.
p. 951.1882 (104); KSA 3: 461.
 2.N/1884 25[248], [251]; KSA 11: 77-78.
 3.Vgl. bijv. Cancik 1985.
 4.Aan Overbeck, december 1888; KSB 8: 551.
p. 961.Aan Gersdorff, mei 1872; KSB 3: 316-317.
 2.Aan moeder en zus, december 1870; KSB 3: 169.
 3.Vgl. 1873b (1); KSA 1: 159-164. Vgl. over Nietzsches politieke ontwikkeling ook de inleiding van Ansell-Pearson 1994.
 4.Aan Wilhelm II, aan Bismarck (ontwerpen), vgl. o.a. aan Strindberg, december 1888, vgl. ook 1889a (Vorwort); KSB 8: 503-509, KSA 6: 58.
 5.Aan Bourdeau, januari 1889; KSA 8: 570.
p. 971.Aan Strindberg, Von Salis, Overbeck, Burckhardt, december 1888 en januari 1889; KSA 8: 568, 572, 575, 579.
 2.Aan Wagner, september 1873; KSB 4: 157.


Begin van de bladzij

www.nielshelsloot.nl