Vervolg Bladeren Voorafgaande Publicaties:
Vrolijke wetenschap Contact Overzichtsbladzijde
Niels Helsloot Niels Helsloot

 


Niels Helsloot, Vrolijke wetenschap, Nietzsche als vriend, Baarn, Agora 1999, pp. 160-168.
Hoofdstuk 3, Van filoloog tot troubadour, paragraaf 3.5.
© 1999, 2003

 

De vrolijke wetenschap

De vrolijke wetenschap is – anders dan het meestal, vaak ook door Nietzsche zelf, wordt voorgesteld – meer dan een overgangswerk of een vingeroefening voor Aldus sprak Zaratoestra. Het biedt aanzetten tot nieuwe inzichten die ook omgekeerd pas binnen het project van een vrolijke wetenschap goed tot hun recht komen. De eerste druk omvat vier boeken, voorafgegaan door een 'voorspel in Duitse rijmen' met de aan een muziekstuk van Köselitz ontleende titel 'Scherts, list en wraak' [4]. De thematiek is indirect verbonden met die van De geboorte van de tragedie, maar De vrolijke wetenschap valt door de aforistische stijl minder makkelijk samen te vatten. Ik probeer dat toch.

Het eerste deel signaleert bij 'gewone' [gemeine] mensen een vervlakking die overeenkomt met die van wat Nietzsche voorheen het volk of de massa noemde, of binnen de wetenschap: de socratische mens. Deze gewone mens, die alleen op eigen voordeel uit zou zijn, was tot norm verheven door de moraaltheorieën van Nietzsches tijd. Daartegenover stelt [p. 161:] hij mensen die zo 'onverstandig' zijn om zich op te offeren aan instinctieve hartstochten. Zulke uitzonderlijke mensen noemt hij 'hoog' en zelfs 'edel'. De vreemde krachten die zulke uitzonderingsmensen in zich voelen, ondermijnen het individu. Ze kunnen iemand tot grote daden in staat stellen maar evengoed tot dwaas en zonderling maken. De kans is groot dat zo iemand aan onaangepastheid ten onder gaat. Voor mensen die niet sterk genoeg zijn, zijn deze ondermijnende krachten dan ook vergif.
   Wie te zwak is om zich op te offeren, kan er maar het best van meeprofiteren als ánderen zich bereidwillig voor het algemene belang inzetten. Dit soort opoffering wordt vanuit het berekenende gezichtspunt van de gewone mens dan ook als goed beschouwd, terwijl minder aan de maatschappelijke noden aangepaste opofferingen vanuit dit gezichtspunt alleen kwaad berokkenen. Mensen die er sterk genoeg voor zijn, hebben dit 'kwaad' juist nodig om zich te ontwikkelen en hun eigen geschiedenis te maken. Daarbij kunnen zulke sterkeren plezier in het individuele hebben, wat laat zien dat een toenemende versterking 'het herfsttij van een volk' inluidt, dat wil zeggen: de verwaaiing van het eenheidsgevoel. In zulke tijden zorgt de liefde voor het pas ontdekte ik ervoor dat breed gedeelde geloven plaats maken voor individuele overtuigingen, dat volksspelen en oorlogen vervangen worden door privé-hartstochten, wreedheden door kleinzerigheid, en kuddemensen door tirannen.
   Tegenover de gangbare moraaltheorieën houdt Nietzsche vol dat niet de berekening van gewone mensen, maar juist de niet in de tijd passende 'kwade' driften van belang zijn voor de menselijke soort; dit kunnen zowel onuitgewerkte, conservatief vastgehouden overblijfselen uit een ver verleden zijn als relatief late ontwikkelingen, zoals die van het denken of het bewustzijn. Wanneer zo'n ongepaste en onbeholpen drift inburgert en tot instinct wordt, wordt ze van nood tot deugd. Uitzonderingen dragen zo bij tot vernieuwing. Tenslotte worden ze zelf gewoon, en roepen ze nieuwe uitzonderingen op.
   Het onvoorwaardelijke streven naar zekerheid, dat ten grondslag ligt aan elk intellectueel geweten, is zoiets zwaks dat langzamerhand gewoner wordt. De basis voor het lustgevoel dat dit streven oplevert, wordt gelegd door 'zwakkere naturen', die Nietzsche 'vrouwelijk' noemt. Als sterke, 'manlijke' mensen ergens ontevreden mee zijn, verbeteren ze hun toestand en betrekken ze nieuwe stellingen. 'Vrouwelijke' ontevredenen zorgen er daarentegen voor dat de noodsituatie voortduurt. De ervaring van werkelijke nood maakt dat ze gehard raken, en geniaal genoeg worden om steeds nieuwe oplossingen te vinden. Daarbij blijft de behoefte aan verfraaiing en verdieping (aan kunst) bestaan. Ook laten ze zich – onder [p. 162:] invloed van het vanzelfsprekende succes van de sterken – te makkelijk inpakken door dweepzucht of troosten door een verdovende roes. Het lijden dat de ongeneeslijke Europese 'ziekelijkheid' kenmerkt, neemt door deze onvrede steeds nieuwe vormen aan.
   Bij de moderne onzekerheid is het verbazend dat sommige waarheden even standhouden; dit is het geluk dat wetenschap brengt. Op zichzelf is er niets tegen om sceptisch tegenover zulk geluk te staan, maar met zo'n houding moet wel geëxperimenteerd kunnen worden. Als scepsis zo individueel wordt dat ze tot vereenzaming leidt, komen zelfs de sterksten in de greep van wat anderen van ze denken. Soms is het, om niet ten onder te gaan, dan ook maar beter om aan gedroomde zekerheden vast te houden. Net zo goed als gewone mensen met de uitzonderlijke moeten leren leven, moeten deze hun aansluiting bij de gemeenschap niet verliezen. Beide soorten mensen dragen volgens Nietzsche bij aan de instandhouding van de soort (in termen van zijn eerdere werk: de cultuur), die hij als de zin van het bestaan voorstelt – in navolging van de door hem bekritiseerde moraaltheorieën, maar meer in aansluiting bij Schopenhauer dan bij Darwin. Aan de instandhouding van de soort worden individuele belangen altijd opgeofferd. Individuen gaan eenvoudigweg onder in de strijd om het bestaan. Toch is het bij al het wederzijdse onbegrip van belang om zich niet te richten naar de noden van anderen. Het gaat erom dat iedereen een éigen nood en geluk weet te scheppen.

Terwijl het eerste boek van De vrolijke wetenschap betoogt dat gewone (socratische) mensen en uitzonderlijke (dionysisch-en-apollinische) mensen ruimte voor elkaar moeten laten, laat het ook zien dat ze er vaak uit zwakte niet aan ontkomen zich aan elkaar aan te passen. Alleen sterker worden biedt een kans om niet van een 'eigen nood en geluk' te hoeven afzien. Maar er valt ook wat voor zwakte te zeggen. Dat vormt het thema van het tweede boek.
   Nietzsche vergelijkt zich met hen die zich realistisch noemen. Deze mensen proberen sterk te lijken door te doen alsof ze zich niet op hartstochten baseren. Hijzelf wil zijn roes niet zomaar ontkennen; hij wil er bovenuit komen. Zijn uitgangspunt is dat dit slechts mogelijk is door vanuit de roes iets anders te scheppen, met behulp van de droomgod Apollo. Maar het apollinische ideaal leidt tot het puur uiterlijke droombeeld van een geliefde die alleen ziel en vorm is; de aanvankelijke gedrevenheid laat zich daarin niet vatten. Dat maakt vrouwen, die zich meer dan mannen bewust zijn van de schijn die nodig is om een betovering tot stand te brengen, sceptischer dan mannen. De opmerking uit het eerste [p. 163:] boek dat er niets tegen scepsis is mits die ruimte voor experimenten laat, heeft hier een – beperkte – toepassing. Het 'experiment' van vrouwen bestaat er doorgaans in dat ze leren zich onschuldig en oppervlakkig voor te doen. Net als de neiging tot individualisering is dit een apollinische manier om sterker te worden, maar in dit geval met behoud van de illusie van gemeenschappelijkheid. Plezier in zulke maskers noemt Nietzsche 'volks', dat wil zeggen: ze suggereren eenheid. De deugdzame domheid ervan is nodig om overeenstemming tussen mensen tot stand te brengen. Nietzsche vindt het nodig om daartegenover ook rechtlijnig door te denken, maar zo'n 'tegendrift' brengt het gevaar van waanzin met zich mee, van willekeur in het gevoel en van plezier in onverstand. Dat moet een uitzondering blijven.
   Tegemoetkoming aan verwachtingen van anderen perkt de ruimte om te experimenteren in, maar is ook nodig om de kracht daartoe te behouden. Dat vereist dat je afstand neemt van jezelf, zoals de tragedie het mogelijk maakt om jezelf uit de verte, als held, te zien. Grappen maken het op een vergelijkbare manier mogelijk om eisen van de zuivere logica op afstand te houden. En ritmiek ontlaadt en verzacht de al te wilde gevoelens waar men bijvoorbeeld in orgiastische culten vanaf probeerde te komen. Maar volgens Nietzsche is er bij zulke manieren om afstand te nemen steeds sprake van een soort vervlakking die het scheppen van een 'eigen nood en geluk' in de weg staat. De apollinische kunstenaars die zo te werk gaan, stellen niet zelf hun waarden, maar passen zich aan. Ze leren zichzelf niet kennen. De oppervlakkigheid van hun ernst neemt ze op sleeptouw: de muziek, hun ijdelheid, hun wil om kunstenaar te zijn, hun hartstocht. En deze kritiek geldt ook voor filologen die alsmaar doorploeteren om het belang te bevestigen van boeken die ze zelf helemaal niet aankunnen. Dat verwijdert ook deze 'kunstenaars' van hun eigen doelen.
   De conclusie is duidelijk: om vrij te worden moet je dat door jezelf worden, en niet door je te richten naar een 'hogere' cultuur, die altijd eigen zwaktes kent. De keerzijde van het streven om als individu sterk te staan, is dat je als uitzondering moet leven.

Het derde boek gaat over ongebondenheid aan 'hogere' machten, die het zelfs overbodig maakt om God te bestrijden. De christelijke god staat hier model voor dat wat ooit bindend was voor de gemeenschap. Na de dood van God burgerden andere manieren in om de chaos van de wereld om te vormen tot menselijke categorieën: tot organisme, machine, cyclische beweging, drift, doel of toeval. Om zichzelf te beschermen zijn zulke misleidende categorieën lang nodig geweest, maar onderhand is de kracht [p. 164:] aanwezig om logisch te denken, en sceptisch te zijn, zonder dat dit het leven aantast.
   Het opgeven van de bescherming werpt je echter terug op jezelf. Het wegvallen van garanties uit een 'andere wereld' brengt een onbehagelijk gevoel van oneindige leegte teweeg. Wat we altijd voor kennis aanzagen, blijkt doortrokken van driften. Wat blijvend leek, blijkt veranderlijk. Identiteit (de herkenning van verschillende dingen als het zelfde) blijkt onsamenhangend. Heldere indelingen blijken een continuüm. Verklaringen van de wereld blijken niet meer dan beschrijvingen van onszelf. Zintuiglijke waarnemingen blijken morele oordelen. En de menselijke waardigheid blijkt een vergissing. De Europese ontevredenheid, die maar blijft malen over deze teleurstellende gevolgen, zou – vanuit Nietzsches verbinding van psychologische met lichamelijke processen – best eens het gevolg kunnen zijn van een algemene, uit de middeleeuwen stammende alcoholvergiftiging. Dat we langzaam bijkomen uit deze dronkenschap, maakt ons uiterst kwetsbaar. Letterlijk alles verandert erdoor.
   Het is dan ook niet verwonderlijk dat enkelingen de moraal aangrijpen om zich in dienst van de kudde te stellen en om zich niet over te hoeven geven aan de waanzin van het individuele bestaan. Dat zwakkeren zich in dienst van sterkeren stellen (bijv. vrouwen in dienst van een man) is echter geen deugd; het is een drang, iets wat lustgevoel bezorgt. Dat het streven naar 'gezondheid' – in de zin van aangepaste deugdelijkheid – noodzakelijk zou zijn, is een vooroordeel. Zelfs al zou iedereen ernaar streven, dan nog bewijst dat niet dat verzet tegen de gevestigde aannames onmogelijk is.
   Het christendom heeft een sterke neiging uitzonderingen uit te sluiten – bijvoorbeeld door het zondegevoel, dat Nietzsche vooral als hielenlikkerij tegenover de ene hogere macht ziet. Maar door haar scepsis over in de oudheid hoog gewaardeerde individuele deugden ondergraaft zelfs het christendom de bindendheid van de moraal. Het helpt niet meer om terug te grijpen op een zogenaamd diepe mystieke basis of (zoals door Schopenhauer) op de ene, aan alles ten grondslag liggende wil. Zelfs christelijke alternatieven als het gebed, onwijsheid en het verbod op zelfmoord worden van binnenuit ondergraven. Zulke oppervlakkige oplossingen zijn niet weerlegbaar op grond van argumenten, maar verdwijnen doordat hun bestaansvorm verzwakt; ze gaan steeds meer tegen onze smaak in. Het christendom wordt – parallel aan het koningschap – geleidelijkaan steeds minder vanzelfsprekend.
   De christelijke afwijzing van elke hartstocht en van al het natuurlijke staat in schril contrast met de Griekse behoefte aan tragedie. Nietzsche [p. 165:] concludeert dat het normerende geloof in één god tot voortijdige stilstand leidt in de ontwikkeling van de 'normale mens'. De veelvoudigheid van waarden die het veelgodendom bood, gaf meer ruimte voor de individuele drift tot eigen idealen. Ook Luthers 'Hier sta ik! Ik kan niet anders!' had tot een verveelvoudiging van gezichtspunten kunnen leiden – maar de kracht die het christendom op dat moment nog had, leidde met de reformatie tot een nieuw beroep op eenheid van het volk. In een werkelijk hoogstaande cultuur, zoals tijdens de opkomst van religies in de Griekse oudheid, brengen heerszuchtige types van het kaliber van Luther het hooguit tot sektevorming – ook in de kunst en op wetenschappelijk gebied.
   Er zijn dus cultuurvormen mogelijk die meer ruimte laten voor veelvoudigheid dan 'de onze'. Die mogelijkheid heeft duidelijk Nietzsches voorkeur. Zijn smaak valt op dit punt het simpelst (en dus wat plat) te verwoorden als 'leven en laten leven'. Dit is minder simpel dan het lijkt. Het stelt eisen, zowel aan sterkeren als aan zwakkeren. Redelijkheid wordt belangrijker dan onbuigzaamheid. Dat houdt in dat winnaars af en toe hun verlies nemen, of misschien wel principieel hun winst verspillen. Wie niet sterk genoeg is, houdt zich rustig tot zich meer mogelijkheden voordoen. Zich stil terugtrekken is beter dan zich hatelijk tegen anderen keren. Om 'egoïstisch' zelf te worden wie men is, kan men er niet omheen ook de lelijke en verachtelijke kanten van zichzelf te zien, maar dat leidt niet tot jaloezie of verlangen naar lofprijzingen. Omdat anderen nu eenmaal andere doelen stellen, heeft het geen enkele zin om zich te meten. De hartstocht van degene die naar kennis streeft, vereist juist het samenkomen van zoveel mogelijk verschillende gezichtspunten. Om de gewichten van alle dingen opnieuw te bepalen, is het nodig om vernedering van enkelingen te vermijden, en om zich niet voor zichzelf te schamen.

Het eerste boek van De vrolijke wetenschap heeft laten zien dat het 'kwaad' van groot belang is om niet vast te roesten in vanzelfsprekendheden die als 'goed' beschouwd worden. Het tweede boek vulde de instandhouding van dit 'kwaad' in als een onbevredigbare ontevredenheid, die nodig is om door te denken tot de uiterste consequenties [1]. Beide boeken stelden tevens vast dat het opofferingen en kracht kost om op deze manier een eigen weg te gaan. Het grote probleem is dat de behoefte aan [p. 166:] vernieuwing tot afscheiding leidt van wat 'gewoon' is. Gebrek aan kracht om uitzonderlijk te zijn, valt niemand kwalijk te nemen. Niet iedereen kan de vereenzaming aan. Maar het is altijd de moeite waard om sterker te worden, zodat je zoveel mogelijk toch een eigen lijn kunt uitstippelen. Het derde boek betoogde dat het isolement dat uitzonderingsmensen bedreigt, voornamelijk optreedt door de monomane eenzijdigheid van de heersende cultuur. Als een cultuur hoog genoeg staat om verschillen in zich te kunnen verenigen, ontstaat er meer ruimte voor eigen doelen, zowel voor die van anderen als voor die van jezelf. Het culturele doel dat Nietzsche stelt, maakt De vrolijke wetenschap tot een cultuurkritisch boek dat in veel opzichten tegenover de heersende moraal staat. Hijzelf is een voorbeeld van een vereenzamend uitzonderingsmens, met zwakke en sterke kanten, en zwakke en sterke momenten. Als hij tegen alle ontmoediging in 'zichzelf wil', dan is het niet voldoende om te hopen op een herleving van de oude Griekse cultuur. Het is nodig een houding te vinden om zich in een goeddeels vijandige cultuur staande te houden. Zo'n houding ontwikkelt hij in het vierde boek.
   Programmatisch wordt de inzet van Sanctus Januarius om eigen culturele doelen te stellen al aangegeven in de goede voornemens waarmee Nietzsche behalve dit vierde boek ook het jaar 1882 begint:

Ik wil steeds beter leren om het onvermijdelijke van de dingen als het mooie te zien; zo zal ik iemand zijn die de dingen mooi maakt. Amor fati: dat is voortaan mijn liefde! Ik wil geen oorlog tegen het lelijke voeren. Ik wil niet aanklagen, zelfs de aanklager niet. Wegkijken moet mijn enige ontkenning zijn! En al met al: ik wil ooit eens alleen nog jazegger zijn! [1]
Amor fati is de stoïcijnse uitdrukking voor liefde voor het noodlot, een liefde die op een andere manier ook wordt uitgedrukt in de term 'filologie' (als liefde voor de logos, de wereldrede). Dit 'ja' tegen wat nu eenmaal gegeven is, komt voort uit het gevoel dat de voorzienigheid zelfs met de ergste tegenslagen nog iets bijdraagt dat niet had mogen ontbreken. Een uitgelaten geloof in de toekomst maakt het de moeite waard om, ondanks de dood die wacht, het leven te denken.
   Nietzsche signaleert dat er een manlijk, oorlogszuchtig tijdperk is aangebroken. In overeenstemming met zijn amor fati juicht hij dat toe, maar alleen als voorbereiding op een tijdperk dat het heldendom in de kennis zoekt – en dat, gegeven het in de eerste boeken beschreven belang van de 'zwakkeren', niet alleen 'manlijker', maar ook 'vrouwelijker' zal [p. 167:] moeten zijn. Hij accepteert dat in de kringloop van oorlog en vrede verzet tegen een laatste vrede nodig is. Het is nodig de eigen zaak te leren dienen en gevaarlijk te leven, in oorlog met mensen als zichzelf en met zichzelf, totdat de scepsis (als twijfel aan zichzelf) overwonnen is en de kennis sterk genoeg zal zijn om te heersen. Blijvend geluk is alleen mogelijk als de voortdurende afwisseling van hoogtes en dieptes er deel van uitmaakt. Voor zover de wetenschap ertoe bijdraagt groot geluk tot stand te brengen, maakt ze kwetsbaar, maar zelfs als dat tot mislukking leidt, heeft dit waarde als uitkomst van een experiment.
   Zowel sterkeren als zwakkeren moeten – een strakkere respectievelijk ongebonden – stijl aan zichzelf verlenen en tevredenheid met zichzelf bereiken door consequent hún smaak uit te werken. Daarbij past geen moraal die zegt wat je niet moet doen; eerder een moraal die je voortdrijft steeds weer te doen wat je goed vindt, zodat iets hooguit ongemerkt afvalt, en ontkenning alleen dient om iets anders te bevestigen. Natuurlijk kan men groot zijn in afweer en zelfbeheersing, maar soms moet je je kunnen verliezen om iets te leren van wat je níet zelf bent. Een stoïcijns streven om zonder walging of pijn alles te verdragen, kan raadzaam zijn als je te veel door het noodlot heen en weer geslingerd wordt, maar als er even enige lijn in het leven zit, is het beter om je gevoeligheid te bewaren, zoals de epicuristen deden. Toch drijft de wil ook gevoeligen voor de waarheid steeds Epicurus' tovertuinen weer uit. Bij vermoeidheid valt het zwaar om pijn te dragen of te veroorzaken, maar op moedige momenten denk je daar niet bij.
   Een heldhaftige moraal (die geen moraal is) doet pijn, en kan daarom misschien maar beter geheim blijven. Dat voorkomt ontwaarding door popularisering. Als we ons leven in het verborgene leven, kunnen we tenminste niet door het medelijden van anderen van de eigen weg worden gedreven. Het is dus terecht dat de wetenschap oningewijden afschrikt door haar manlijke strengheid. Maar men hoeft zich niet te laten afschrikken als het om éigen driften gaat. Nietzsche uit weerzin tegen inperking van die driften door de tirannie van een beroep, een vaste groep mensen of één soort gezondheid. Wetenschap is het meest gebaat bij korte gewoontes. Deze leveren veelzijdige kennis op doordat ze erop neerkomen dat met volledige overtuiging geloofd wordt in wat toch steeds weer wegglipt en vervangen wordt door het volgende. Zichzelf als onveranderlijk en dus betrouwbaar voordoen is duizenden jaren nuttig geweest, maar een dergelijke houding is schadelijk als basis voor kennis. Er is juist wantrouwen nodig tegen alles wat vastloopt.
   We moeten niet alleen tegenspraak leren verdragen, maar ook met [p. 168:] een goed geweten leren tegenspreken; dit pijnlijke vermogen maakt de grote vernieuwing van onze cultuur uit. Helden van de kennis moeten in staat zijn om met een goed geweten pijn toe te brengen. Elke ervaring is een experiment dat tot kennis bijdraagt. De pijn die daarbij onvermijdelijk optreedt, moet niet overdreven worden. Tenslotte bestaat er een overmaat aan verzachtende en verdovende middelen. Onze pijn is niet zo erg als de stoïcijnen het voorstelden; in plaats van radicale kuren te volgen, genieten we ervan. Ook andere 'beperkingen', zoals rust, domheid en vrolijkheid, hoeven niet verworpen te worden. Juist de strijd tussen zulke onbewuste driften vormt ons begrip.
   Doordat we onszelf – met zulke 'beperkingen' – ten langen leste leren onderscheiden, vervolgens leren verdragen, en tenslotte zelfs aan onszelf wennen, willen we uiteindelijk niets anders meer: we leren van onszelf te houden. Daarbij gaat het er absoluut niet om algemene morele regels te stellen. Voor de filosoof moet het eigen applaus genoeg zijn. Het gaat erom te worden wie we zijn – door onszelf redelijk waar te nemen, tegen een natuurlijke en historische horizon van duizenden jaren. Als praktische oriëntatie volstaat het om betrokken te zijn bij vrienden, die elkaar helpen door zichzelf te helpen.

 
Begin van de bladzij

Werk van Nietzsche
Literatuur
p. 160   4.   Bij de tweede druk van 1887 worden nog een vijfde boek en een aanhangsel met liederen toegevoegd, zie paragraaf 5.3. hieronder.
p. 1651.Bataille 1973b: 16 (vgl. 169) stelt terecht dat Nietzsche eerder de filosoof van het kwaad is dan de filosoof van de wil tot macht. Het kwaad gaat bij Bataille echter uit van een wil zich aan kansen bloot te stellen die er meer dan bij Nietzsche op uit is zich uit te leveren en te offeren, met alle angst en verschrikking waarmee dat gepaard kan gaan.
p. 1661.1882 (276); KSA 3: 521.


Begin van de bladzij

www.nielshelsloot.nl